Die jongen staat staat op de expositie onder de titel ‘Sterven in schoonheid’, Drents Museum in Assen. Over de ondergang van Pompeï en Herculaneum., twee handels- en havensteden die ontstonden zo’n 700 jaar vóór Christus. Ze werden - ik maak even een grote stap - zo’n 80 jaar vóór Chr. een provincie van de Romeinen, voor wie ze een soort Zandvoort aan zee werden. Met heel dichtbij de vulcaan Vesuvius, annex met aardbevingen en uitbarstingen. De bewoners raakten daarmee zo vertrouwd dat ze de uitbarsting in 79 vóór Chr. hebben onderschat. De fatale eruptie bedolf Herculaneum onder een drie meter dikke laag van lava, gesteente, gassen etc. Dat overkwam Pompei een dag later, toen was het te laat voor de 20.000 inwoners om nog te kunnen vluchten. Pas in 1559 na Chr. werden er opgravingen gedaan die spectaculaire inzichten gaven in wat er ooit gebeurd was, hoe het leven er toen uitzag etc. Sindsdien zijn het enorme toeristische trekpleisters.
Wat me nogal bezig houdt is de vraag waarom de mensen destijds zo lang hebben gewacht. Het rommelde al lange tijd, as daalde ook al op de huizen neer, men had toch kunnen evacueren? Ineens valt me de vergelijking in met de watersnoodramp van 1953. Die wordt deze weken herdacht in korte journaals. Daarbij komt aan het licht dat alle weerrapporten en adviezen van deskundigen in de dagen voor de ramp aangaven dat er extreem weer op komst was. Maar alle waarschuwingen werden genegeerd of kwamen in de bekende onderste lade terecht. Waren wij in ons lage landje net als de Pompeïers dan ook zo naïef? Je hoort in gedachten de stoere taal: ‘Ach, wij Hollanders zijn wel gewend aan een stevig windje; laat het maar eens lekker doorwaaien; we hebben toch onze dijken? Het zal zo’n vaart niet lopen.’ Totdat het te laat was.
Velen beleefden langs de kusten en op kades een sensationeel schouwspel van beukende watermassa’s en hoog opstuivende golven. Wie de herdenkingsjournaals volgt krijgt inderdaad de indruk dat toen ook wij negatief nieuws graag wegdrukten en riskante ontwikkelingen het liefst zo lang mogelijk relativeerden, kleiner maakten, onderschatten. Is het struisvogelgedrag, of wil niemand graag voor angsthaas, pessimist of spelbreker worden aangezien? Achteraf stellen we onderzoekscommissies in die evaluatierapporten schrijven. Dan komen indringend de menselijke fouten aan het licht, het onrecht naar de waarschuwende mensen door niet naar hen te luisteren. Als het allemaal voorbij is geven we een full colourboek uit, of richten we een museum in dat laat zien hoe erg het was, welke fouten er werden gemaakt en welke lessen eruit moeten worden getrokken. Maar als we eerlijk zijn betwijfelen we al meteen of we die ooit echt gaan toepassen.
Ik praat in Assen nog een poosje door met de suppoost die mij had vermaand. We hebben het over de prachtige gebruiksvoorwerpen, glaswerk en brons, fresco’s, tegeltableaus en standbeelden die laten zien hoe rijk en lux het leven toen was. Ik zeg hem haast niet te kunnen geloven dat dit prachtige en gave materiaal allemaal echt is. ‘Meneer’ zegt hij ‘het is allemaal echt, want bij een replica zijn we verplicht dat te vermelden.’ Konden we ook bij een ramp maar zeggen dat het een replica was, denk ik. Maar ja, als het kalf verdronken is ….
Ton van Leijen ([email protected])

